Die slechte recensie klopte
“De Oskar Back-prijs heeft veel voor mij gedaan. In die eerste zomer erna mocht ik op allerlei festivals hier komen spelen. In één week wel vier concerten. Op de Zeister Muziekdagen vroegen ze mij in die periode of ik de Vioolsonate van Debussy wilde spelen. Ik dacht: dat lukt me wel, maar het ging niet goed. Voor dat concert kreeg ik een slechte recensie, en ik dacht dat de wereld verging. Maar nu weet ik, die recensie, die klopte, want Debussy was op dat moment niet mijn muziek.
Tegenwoordig denk ik goed na over wat ik wil spelen, en waar ik dat speel. Daar houd ik me nu aan vast, maar toen begon ik pas net, en dan weet je nog niks.”
Baar vertelt dat hij als jongetje totaal niet verlegen was. “Ik was volgens mij niet zo’n lief kind, meer een brutale aap. Ik speelde overal viool, en sprong gewoon ergens op tafel en ging daar zonder gêne staan. Toen ik naar Berlijn ging om te studeren aan de Hochschule für Musik Hanns Eisler is dat brutale er wel van af geschaafd. Er auditeerden 160 violisten voor maar 12 plekken.
“Mijn leraar in Berlijn keek met een vergrootglas naar elke maat die ik speelde. Van de weeromstuit durfde ik totaal geen risico’s te nemen, het moest perfect zijn. Ik had toen geen podiumangst, maar was wel veel te voorzichtig. Timide. Ik wilde niet te veel ruimte innemen, verheugde me nooit op een concert, en was tijdens het spelen mezelf voortdurend aan het bekritiseren.
“Ik werd dus een verlegen violist, en in de coronatijd ging ik, net als veel podiumkunstenaars, nadenken over wat ik aan het doen was. Onzekerheid. In die periode ontwikkelde ik ook podiumvrees. Dat nadenken gaat in de weg zitten, en dat bleek een valkuil. Ik kroop weg achter mijn viool, en ook al werd een optreden goed ontvangen, dan nóg voelde ik mij onzeker.
“Ik heb daar met mijn mentor, dirigent Christoph Poppen, veel over gesproken. Hij heeft dat mentale gedeelte helemaal met mij doorgenomen. Hij raadde me aan om tijdens het studeren eerst een boel dingen die ertoe doen tijdens een concert te visualiseren: het orkest, de zaal, het publiek. En dat dan vervolgens te koppelen aan een emotie. Daar was ik voorheen veel te weinig mee bezig. Ik was alleen maar aan het studeren, studeren. Vaak tot diep in de nacht.
Ik wilde gewoon een beetje viool spelen
“Isabelle Faust is een van mijn voorbeelden. Ik ken haar een beetje. Als je haar agenda ziet, da’s niet normaal. Maar zij denkt zo goed na over wat ze speelt, en wanneer. Ze doet één nieuw concert per jaar, en probeert dat eerst uit in wat kleinere zaaltjes.
“Planning. Dat zijn zaken waar ik eerst helemaal niet over nadacht. Faust raadde me aan om een keertje met haar manager te praten. Die zei na het gesprek dat hij me op dát moment niet als artiest zou nemen, omdat ik niet precies wist wat ik wilde. Daar snapte ik toen niets van. Nu wel. Ik wilde toen gewoon een beetje viool spelen, maar dat werkt niet.”